Gangbare testmethodieken 'klimatologische omstandigheden'

Klimatologische omstandigheden worden tegenwoordig gemeten met behulp van zogenaamde “multimeters”. Dit zijn digitale meters die in veel gevallen ook in staat zijn om metingen op te slaan en de verzamelde informatie statistisch te verwerken. Gemeten worden:

  • Luchttemperatuur: de temperatuur van de omgevingslucht
  • Relatieve luchtvochtigheid: de relatieve verzadigingsgraad van lucht met vocht
  • Dauwpunt: de temperatuur (van een oppervlak) waarbij condens ontstaat
  • Oppervlaktetemperatuur: de temperatuur van de (stalen) ondergrond
  • Delta T: het verschil tussen dauwpunt en oppervlaktetemperatuur

Een goede conserveringsspecificatie geeft richting aan de klimaatcondities welke op het moment van applicatie van het verfsysteem van toepassing moeten zijn. Belangrijk is om condens op de ondergrond te voorkomen op het moment van applicatie van het verfsysteem. Om dit te realiseren wordt er doorgaans een verschil van +3 graden tussen staaltemperatuur en dauwpunt gespecificeerd.

Een eigenschap om rekening mee te houden is dat multimeters geruime tijd nodig hebben om zich te acclimatiseren aan het klimaat waarin de metingen verricht moeten worden. Het feit dat de meter getallen produceert met cijfers achter de komma, wekt de verwachting dat het daarom automatisch betrouwbare waarden zijn. Het tegendeel is waar indien de meter niet geacclimatiseerd is aan de omgeving. Vaak komt het voor dat een meter in de winter een gehele nacht in de kofferbak van een auto heeft gelegen om vervolgens metingen te verrichten aan de binnenzijde van een tank waarin vele kilojoules aan energie worden ingebracht om de staaltemperatuur boven de 10-15 graden te houden. Het kan vaak wel 30 minuten duren voordat de meter voldoende gestabiliseerd is. Immers, de massieve behuizing van de meter straalt relatieve hitte of koude uit naar de meetsensoren en beïnvloedt dientengevolge de metingen. Een ander nadeel kan zijn dat de sensoren vervuild raken met (straal)stof of verfnevel, waardoor de meetresultaten onbetrouwbaar worden. Kalibratie van dergelijke meetapparatuur dient periodiek bij de leverancier van het apparaat uitgevoerd te worden.

Een ouderwetse maar nog steeds betrouwbare meetmethodiek is de zogenaamde “slinger phsychrometer”. Dit is een oud instrument dat gebuikt maakt van 2 kwikthermometers (tegenwoordig alcoholthermometers). Om met deze apparatuur de relatieve luchtvochtigheid en het dauwpunt te kunnen bepalen, is er een diagram (Mollier diagram) noodzakelijk. Een groot voordeel van deze meters is dat er geen sprake behoeft te zijn van langdurige acclimatisering. De meter meet snel de juiste waarde. Kalibratie is eenvoudig; verwijder de sok van de “natte thermometer” en wacht 1 of 2 minuten. Indien de 2 thermometers dezelfde temperatuur aangeven, kan gesteld worden dat de thermometers in goede conditie zijn. Om volledige zekerheid te verkrijgen kan altijd nog een 3e (geijkte) thermometer gebruikt worden om te vergelijken met de thermometers van de “slinger”. Bel of mail met DCC indien u vragen heeft over het bepalen van klimatologische omstandigheden tijdens conserveringswerkzaamheden.