Gangbare testmethodieken 'laagdikte'

Laagdikte kan worden gespecificeerd en gemeten overeenkomstig ISO 19840 of SSPC PA2. Er is geen onderwerp in de conserveringsbranche waarover meer gediscussieerd wordt dan laagdikte. Een reden hiervan is dat er vaak geen duidelijke conserveringsspecificatie van toepassing is. Vaak wordt een term als “gemiddelde laagdikte” in het leven geroepen om de laagdikte van een verfsysteem te rechtvaardigen. In de praktijk ligt het echter genuanceerder. Een plaats met veel te geringe laagdikte, is een potentiële corrosieplek. Een plaats met veel te hoge laagdikte is een potentiële plaats waar scheurvorming of blaasvorming in het verfsysteem kan ontstaan. Echter, een conserveringsbedrijf dient voldoende bandbreedte (een zogenaamde laagdikterange) te verkrijgen om zijn werk uit te kunnen voeren. Indien schrijvers van verfspecificaties zich realiseren dat met een verfkwast doorgaans niet meer dan 80-90 micrometer droge consistente laagdikte verkregen kan worden en met een verfroller ten hoogste 70-80 micrometer, voorkomt dit al veel discussie op het moment van uitvoering van conserveringswerk. Maar ook de hoeveelheid metingen, toleranties, van toepassing zijnde normeringen en niet in de laatste plaats calibratiemethodieken, zijn van invloed op het resultaat van laagdiktemetingen. DCC beschikt over de kennis en geavanceerde apparatuur om de droge laagdikte van verfsystemen te bepalen en de resultaten te interpreteren op basis van eisen vermeld in een conserveringsspecificatie of applicatierichtlijnen opgesteld door verfleveranciers.

Gangbare niet destructieve meetmethodieken zijn:

  • Magnetisch; Het meten van niet magnetische verflagen middels een magnetisch meetinstrument op een magnetische ondergrond (staal, ijzer, gietijzer, sommige duplex stalen) zoals een zogenaamde “laagdiktebanaan” of “laagdiktepen”.
  • Elektromagnetisch; Het meten van niet magnetische verflagen middels een elektromagnetisch meetinstrument op een magnetische ondergrond zoals een elektronische digitale laagdiktemeter.
  • Eddy current (wervelstroom); Het meten van niet magnetische verflagen op een niet magnetische ondergrond (aluminium, RVS, koper, etc) middels een wervelstroommeter.
  • Ultrasoon; Het meten van verflagen op een niet metallische ondergrond (beton, hout, plastic, etc) middels een ultrasoonmeter.

Gangbare destructieve meetmethodieken zijn:

  • PIG (Took) meter; Het meten van (individuele en totale) verflaagdiktes door gebruik te maken van een PIG meter waarin snijmiddelen met een vooral bekende snijhoek en een handmicroscoop geïntegreerd zijn. Een wiskundige berekening zorgt voor de berekening van de laagdikte. De microscoop is tevens handig om te gebruiken bij een schadeanalyse.
  • Laagdikteboor; Werkt op basis van eenzelfde principe als de PIG meter.

Bel of mail met DCC indien u vragen heeft over het bepalen van droge laagdikte tijdens of na conserveringswerkzaamheden.